ZWARTE DWARSLIGGERS (1)

In het boek “Without Sanctuary, Lynching Photography in America”  van Hilton Als en Leon F. Litwack zijn 100 postcards opgenomen waarop gelynchte personen te zien zijn. “Lynchen” is het vermoorden van een verdachte na het eigenmachtig rechtspreken door een volksmenigte. In 1906 werd de burgerrechten beweging NAACP opgericht en de eerste doelstelling was dan ook het opstellen van wetten tegen het lynchen. Het Tuskegee Institute heeft het lynchen van 3436 zwarten, tussen 1882 en 1950, in de USA geteld. Dit aantal is ongetwijfeld groter want vaak werd het lynchen niet geregistreerd. Een “Negro-barbecue” betekende voor sommigen zelfs een dagje uit. Soms maakten professionele fotografen foto’s van het gebeuren en die werden vervolgens als postcards grif verkocht en verstuurd.

Postcard Lynching

Southern trees bear a strange fruit
Blood on leaves and blood at the root
Black body’s swinging in the Southern breeze
Strange fruit hanging from the poplar trees.”

Dat zong jazzlegende Billy Holiday (1915 -1959) op het eind van de jaren dertig als protest tegen de willekeurige lynchpartijen in Amerika. Gewone burgers gingen zich te buiten aan gruwelijke verminkingen en lynchpartijen. De lijken van de zwarte Amerikanen hangen als vreemdsoortige vruchten in de populieren. Strange fruit werd in 1938 geschreven door een onderwijzer uit de Bronx, Abel Meeropol, onder het pseudoniem Lewis Allan.

Billie Holiday: Strange Fruit

 Billie Holiday (1915 – 1959) wordt algemeen beschouwd als een van de belangrijkste en invloedrijkste Amerikaanse jazz – zangeressen. Zij werd ook bekend onder de bijnaam Lady Day die tenorsaxofonist Lester Young haar had gegeven.

 Paul Robeson (1898-1976) was een zwarte acteur, zanger, schrijver en politiek activist. Op de middelbare school blonk hij uit in zingen, acteren en atletiek. Hij werd geweigerd op de Princeton-universiteit maar verkreeg wel een beurs voor de Rutgers-universiteit. Hij was de derde zwarte daar en excelleerde in bijna alles. Hij was de beste van zijn jaar, speelde football voor het Amerikaanse nationale team en behaalde een graad in de rechten aan de universiteit van Columbia. Na zijn afstuderen in 1923 werd hij de eerste zwarte die bij een van de meest vooraanstaande New Yorkse advocatenkantoren ging werken. Daar ging hij weg nadat een secretaresse weigerde door hem gedicteerde brieven te typen vanwege zijn huidskleur. Robeson studeerde ook in Londen de geschiedenis van Afrika, maar hij werd beroemd als zanger, hij had een fraaie diepe basstem, een basso profondo.

Paul Robeson: Sometimes I Feel Like a Motherless Child

Dit is een traditionele Negro-spiritual die dateert uit de slaventijd toen het normaal werd gevonden om een kind te scheiden van zijn of haar ouders en apart te verkopen. Het gaat over de pijn van de scheiding; het lied is talloze malen gecoverd.

Tussen 1925 en 1942 trad Robeson op in elf films, op vier na van Engelse makelij, nadat hij en zijn vrouw in de late jaren 20 naar Engeland verhuisden. Hij woonde daar tot het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog, onderbroken door lange tournees waarin hij als zanger optrad. In de periode dat zijn populariteit maximaal was in de jaren dertig van de vorige eeuw was Robesons naam een garantie voor volle zalen in films zoals Song of Freedom en The Proud Valley. In de VS verfilmde hij zijn toneelsucces met The Emperor Jones in 1933. Hij speelde ook de rol van Joe in de verfilming van Showboat in 1936. Het beroemde lied Ol’ Man River hierin werd haast zijn visitekaartje en wordt door velen nog steeds als de beste vertolking ooit beschouwd.

Paul Robeson: Old Man River (uit de musical Showboat)

Uiteindelijk werd hij door de Hollywoodbazen op de zwarte lijst geplaatst om zijn politieke ideeën en de manier waarop hij die uitdroeg. Hij verhuisde noodgedwongen naar Engeland waar hij ook toneel speelde.

Gedurende zijn reizen en tournees in West-Europa en de Sovjet-Unie uitte Robeson zich zeer kritisch over de omstandigheden waaronder zwarte Amerikanen moesten leven, vooral in de zuidelijke staten. Hij was actief in de bestrijding van het lynchen. Hij oefende in 1946 sterke druk uit op president Harry S. Truman, met opmerkingen waarin impliciet de mogelijkheid tot gewapende zelfverdediging van zwarte Amerikanen werd genoemd als de regering dat niet zou doen, en grondvestte in dat jaar ook de American Crusade Against Lynching. Deze publieke stellingname, tezamen met ook in het openbaar uitgesproken sympathieën voor de Sovjet-Unie, zijn linkse sympathieën en zijn geregelde reizen naar de Sovjet-Unie leidden ertoe dat de FBI onder J. Edgar Hoover een dossier over hem opende. Robeson werd door de FBI gevolgd tussen 1941 en 1974. Zijn lidmaatschap van de Amerikaanse Communistische Partij werd nooit bewezen, zelf weigerde hij principieel daarover een verklaring af te leggen (‘dat gaat niemand wat aan, dat is mijn vrijheid’), maar het werd door zijn familie ontkend. In 1949 gaf Robeson een benefietconcert voor de burgerrechten in Peekskill (N.Y.), na het concert werden vertrekkende concertgangers aangevallen door aanhangers van anticommunistische en racistische groeperingen, terwijl de politie toekeek zonder in te grijpen. Er vielen ongeveer 140 gewonden. De plaatselijke krant werd ervan beschuldigd de rellen te hebben aangewakkerd, die nu bekendstaan als de ‘Peekskill riots’.

Robeson werd ook onderzocht door de Commissie voor on-Amerikaanse activiteiten (van McCarthy en Nixon) dat probeerde hem aan te klagen wegens weigering een niet-communist verklaring te tekenen. Hierop weigerde de regering hem nog een paspoort te verstrekken zodat hij niet meer naar het buitenland kon reizen. Na enkele jaren werd dit als een ongrondwettige daad veroordeeld en kreeg hij zijn paspoort terug. Maar zijn carrière was gebroken.

Hoewel Robeson een van de grote voorlopers van de zwarte burgerrechtenbeweging is geweest, is de nagedachtenis aan deze belichaming van de Renaissance-mens door de McCarthy-tijd nagenoeg uit het geheugen van de huidige jongere generatie Amerikanen gewist. In 1998, ontving hij postuum een Grammy Lifetime Achievement Award.

In 2004 verscheen in de VS een postzegel van Robeson in de serie ‘black heritage’ (zwart erfgoed). De Oost-Duitse posterijen hebben hem in 1983 op een postzegel afgebeeld.

Meer over Paul Robeson in de bijna 2 uur durende documentaire: Paul Robeson, Here I Stand